Ding 14: chat!

Weer terug naar m’n Veluwse tijd… Omdat we daar met Gmail werkten, werkten we eigenlijk automatisch ook met chat. Als je in gmail online bent, kan je, als je dat tenminste wil, bekenden uitnodigen om te chatten.
En dan kan je van elkaar zien wanneer je online bent, en heel eenvoudig een chat starten. Erg handig voor het werk, we zaten daar immers verspreid over vijf vestigingen en chatten is dan echt handiger dan steeds even de telefoon pakken. Je gesprekspartner hoeft namelijk niet constant aan de pc te zitten. Het venstertje blijft gewoon open staan waardoor je alleen maar af en toe hoeft te kijken of er een reactie wordt gevraagd. Daarmee is chat, net als twitter waarover ik eerder schreef, een manier om je directe omgeving uit te breiden.

Nu ik in Zeeland werk, is gmail een beetje naar de achtergrond geschoven en gebruik ik die andere ‘irl’ chat veel meer. Ik heb nu immers iedereen onder handbereik. Ik heb wel eens gedacht, (maar het nog nooit geprobeerd) dat als ik mijn stem erg verhef, m’n hele afdeling me zou moeten kunnen horen. We zitten allemaal aan een lange gang, dus dat zou moeten lukken. 😉 Na al die jaren pendelen, voelt dat nog steeds als een grote luxe.

En chat voor het archief? Ja, zou prachtig zijn. Ik heb er inmiddels zelf al een erg goede ‘klantervaring’ opgedaan. Ik heb vorige week een nieuwe laptop gekocht en er was iets dat ik niet snapte. Even gezocht naar een oplossing en toen zag ik dat er een chatfunctie met de klantenservice bestond. Ik meldde me aan en kreeg direct contact. Tien minuten later was mijn probleem opgelost. Na afloop werd er nog een afschrift van het gesprek naar mijn mailbox gestuurd. Resultaat: een supertevreden klant die dat vervolgens uitgebreid via twitter besprak en het bedrijf in kwestie een goede ‘pers’ bezorgde.

Ik zag dat het Nationaal Archief en het BHIC al aan het experimenteren zijn met chat! Mooie initiatieven die helemaal passen in de 2.0mentaliteit van spelen en leren. Zoals te verwachten was, was de eerste evaluatie positief. Laagdrempelig en snel beschikbaar, dat zijn precies de eigenschappen die je als publieksinstelling graag wilt uitstralen.
Een nadeel vond ik, dat ik alleen kon vinden dat de chatfunctie een aantal dagdelen beschikbaar is, maar nergens kon vinden welke dagdelen dat dan waren. De chatbox van het BHIC is op elke pagina beschikbaar en dat vond ik erg goed, je weet direct dat je kunt chatten en of de box op dat moment bemenst is.

Het kan natuurlijk heel goed dat ik niet goed gekeken heb en de ‘openingstijden’ toch in koeieletters op beide websites vermeld zijn…

Ding 1: Mijn eerste kennismaking met informatietechnologie

Ding 1 begint met twee filmpjes. De ene gaat over web2.0: The Machine is Us/ing Us en de andere gaat over veranderingen in de manier waarop we tegenwoordig informatie creëren, delen, selecteren en opslaan: Information R/evolution

Een ware stortvloed van tekst, beeld en geluid.

Het leuke (vind ik nu nog 😉 ) van 23 archiefdingen, is dat je tijdens de doorlopen van de cursus over je ervaringen moet bloggen. Dat dwingt je tot creativiteit want, waarover dan?? Het werden mijn eerste schreden op het digitale zandpad van de jaren negentig van de twintigste eeuw…

Ik heb in de jaren negentig in Leiden geschiedenis gestudeerd. Dat betekende wekelijks een tochtje naar de bibliotheek voor vers leesvoer.

Ik kwam aan in 1991. Toen was de UB in Leiden net overgestapt op de Online Publieks Catalogus, kortweg de OPC. Bijna alles wat ik nodig had, was erin te vinden, alleen titels van voor een bepaalde datum (ergens in de jaren zestig? Ik weet het niet meer!) moesten worden opgezocht in de zogenaamde ‘Leidse Boekjes’, kleine klappertjes waarin bij ons in het archief tegenwoordig alleen nog de persoonskaarten zitten.

In de OPC heb ik voor het eerst kennisgemaakt met digitaal zoeken naar informatie. Je kon kiezen voor een aantal zoekingangen: (woorden uit de) titel, auteur, trefwoord, jaar van uitgave, reeks, isbn/issn, …?

Ik was meteen verkocht. Van huis uit had ik wel leren werken met kaartenbakken (met een bibliothecaris als moeder: onvermijdelijk) en dit was echt aanmerkelijk sneller, leuker en inspirerender. Ik had het toen eigenlijk al kunnen weten. Als je een warm gevoel krijgt bij het ontdekken en gebruiken van een zoeksysteem, kan dat maar één ding betekenen…

Titel gevonden? Dan , lenernummer, naam, titel en catalogusnummer op een aanvraagbriefje invullen, in een bakje op de balie leggen en hopen dat het gevraagde werk een uur later voor je klaar lag.

Daar bleef het echter niet bij. De technologie haalde ons ook toen immers al links en rechts in. Ik weet niet precies meer wanneer het was, maar op een gegeven moment hoefde je geen briefje meer in te vullen.

Nee!

Je mocht je lenernummer RECHTSTREEKS in de computer tiepen. Dan duurde het nog steeds een klein uur voor je boek klaar lag, maar het was al een hele vooruitgang!

Tegen de tijd dat ik ging afstuderen, (we hebben het dan over begin 1996) had de eerste internetverbinding haar intrede in ons huishouden gedaan en kon ik zelfs van huis uit boeken aanvragen en (niet onbelangrijk voor de luie mensch:) verlengen!

Op dat moment hadden we op een ander vlak al een beetje aan de nieuwe tijd kunnen snuffelen. Ik had intussen een jaar aan de Universiteit Gent doorgebracht. Ik zat er ‘op kot’ in een enorme studentenflat aan het Stalhof; Home Vermeylen. Als je naar de foto’s kijkt, lijkt er helemaal niets veranderd te zijn in vijftien jaar!

In de hal van de home werden in dat jaar terminals geplaatst vanwaar ik via een telnetsessie kon inloggen op De Digitale Stad Amsterdam (DDS), zodat mijn lief en ik konden chatten. Echt revolutionair en ik vond er helemaal niets aan. De verbinding was supertraag, viel voortdurend uit en ik vond een telefoongesprek vele malen leuker dan een zwart scherm met groene of witte lettertjes. Maar ja, het was wel gratis en dat was bellen natuurlijk niet!

Tijdens een van de colleges Paleografie mochten we op het kantoor van Thérèse de Hemptinne een keer een kijkje nemen op de website van de bibliotheek van het Vaticaan, waar ze net begonnen waren met het digitaliseren van hun collecties. Ook hier speelde de trage verbinding ons parten, zeker omdat het nu ook nog eens om enorme bestanden ging die door het smalle lijntje geduwd moesten worden. Ook toonde ze het ADMYTE project in Spanje, waar geëxperimenteerd werd met de ocr van allerlei middeleeuwse bronnen. Ik was diep onder de indruk. Vreemd genoeg had ik er toen nog geen idee van dat ik ooit archivaris zou worden!