Sjef van Dongen, maar nu met beeld én geluid!

Op de Dag van het Zeeuws Archief die plaatsvond op 3 november 2012 is speciale aandacht besteed aan Sjef van Dongen.

Zeeuws Archief, Archief Sjef van Dongen, toegang 631.

Tijdens de rondleidingen door het depot maakten we uitstapjes naar het Spitsbergen van 1928.  Dat deden we aan de hand van stukken uit zijn persoonlijke archief. Lees op de site van het Zeeuws Archief alles over deze ‘kraanige Hollandsche jongen’ en de avonturen die hij beleefde bij zijn poging Umberto Nobile en diens bemanning te redden nadat hun luchtschip was neergestort op Spitsbergen. Uiteindelijk zijn Sjef en Gennaro Sora zelf van het poolijs gered door een tweetal vliegtuigjes die met het schip de Quest meegekomen waren. Bekijk hier de filmbeelden die hiervan zijn gemaakt (op ca 4 minuten komen beide helden, bruinverbrand door de poolzon, aan).

Een van de leuke stukken die in het archief werden aangetroffen, was een anonieme compositie. Zo’n stuk spreekt meteen tot de verbeelding, en het is dankzij het arrangement van Christian Blaha en de uitvoering door Zeeuws Kamerorkest Ty na 85 jaar mogelijk de muziek te beluisteren!  Klik hier voor de Sjef van Dongen Marsch!

Al Googelend kom je Sjef van Dongen overal en nergens tegen. Het zou leuk zijn om alle sites een keer bij elkaar te brengen, misschien doe ik dat nog wel eens.

 

Met dank aan @annorosa voor het bijelkaar sprokkelen van allerhande info.

.

Ding 8: Podcast

Ketelaarlezing 2013

De Ketelaarlezing was dit jaar wat mij betreft een groot succes.

De spreker van dit jaar was prof. dr. Beatrice de Graaf, Hoogleraar conflict en veiligheid in historisch perspectief op de Haagse Campus van de Universiteit Leiden.

Zij sprak over zin en onzin van geheimhouding in archieven. Het persbericht Nationaal Archief lichtte alvast een tipje van de sluier op:

Veiligheidsbeleid

Het belang van veiligheidsbeleid wordt met steeds meer urgentie, onvermijdelijkheid en onmiddellijkheid gepresenteerd. Dat gaat tegelijkertijd gepaard met steeds meer pogingen tot geheimhouding. Door historisch onderzoek te doen wordt het mogelijk om hier vraagtekens bij te plaatsen, besluitvormingsprocessen te ontrafelen en te laten zien hoe effectief veiligheidsbeleid daadwerkelijk is.

Minder geheimhouding

Waar zijn de Nederlandse autoriteiten en de bevolking bang voor? Welke ‘bommen en granaten’ belegeren het Koninkrijk in de afgelopen 200 jaar? Uit het archief zijn de veranderende opvattingen over veiligheidsdenken, dreiging en gevaar prachtig op te maken. In de Ketelaarlezing neemt Beatrice de Graaf deze handschoen op. Na een bespreking van het ‘explosieve’ materiaal in de collectie van het Nationaal Archief, maakt De Graaf duidelijk dat het hier vooral mythes betreft. Uiteindelijk wil zij dan ook een lans breken voor minder geheimhouding.

Het was een mooie lezing, vol met voorbeelden van de grote en kleine krenten die je in de pap vindt wanneer je met archiefstukken aan de slag gaat, en alleen al daarom de moeite waard om nog eens te beluisteren. Gelukkig hebben de collega’s van het Nationaal Archief de lezing opgenomen en online geplaatst, zodat deze als podcast beluisterd kan worden!

De Historie van de vier Heemskinderen

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details van de plot en een deel van de afloop van het verhaal. Mocht je het eerst zelf willen lezen en kan je hier een versie vinden van het verhaal zoals het online te lezen is of hier zoals het als pdf te downloaden is. Dit is echter niet de enigszins genormaliseerde en geannoteerde versie waarover ik schrijf.

Geïnspireerd door het lied van het Ros Beiaart kreeg ik een paar maanden geleden bij wijze van grapje het in de Deltareeks uitgegeven boek “De historie vanden vier Heemskinderen” cadeau. De Deltareeks is een serie met nieuwe edities van klassieke en oudere werken uit de Nederlandse literatuur die tot doel de belangrijkste werken uit de lage-landse-literatuur opnieuw te doen verschijnen in mooi verzorgde, gebonden uitgaven èn permanent verkrijgbaar te houden.

Waarin zat hem de grap? Welnu, het ging om de verwijzing naar de tekst van het lied over het Ros Beiaart:

’t Ros Beiaard doet zijn ronde
in de stad van Dendermonde.
Die van Aalst die zijn zo kwaad
omdat hier ’t Ros Beiaard gaat.

Het boek dat ik in handen had gekregen, is een heruitgave van de druk die in 1508 in Leiden door Jan Seversoen is gedrukt. De Deltareeks zelf schrijft erover: “… bevat de oudste volledig bewaarde Nederlandstalige versie van het Heemskinderen-verhaal. Door middel van moderne leestekens, een royale woordverklaring, een grote hoeveelheid cultuurhistorische aantekeningen en een nawoord waarin allerlei aspecten helder belicht worden, werd deze oude tekst door Irene Spijker toegankelijk gemaakt voor een breed publiek.”

Ik weet niet goed wat er door de uitgevers wordt verstaan onder een breed publiek. De de tekst is weliswaar voorzien van moderne interpunctie en de zinnen zijn her en der gecorrigeerd om corrupte passages te stroomlijnen. Toch blijft het een stuk middelnederlands proza dat niet snel door de gemiddelde literair geïnteresseerde verslonden zal worden.

Ik ben het gaan lezen, want ik wilde nu wel eens weten hoe het zat met het Ros Beiaart en die Van Aalsten waar het altijd over gaat. En omdat ik op dat moment blijkbaar geen wikipedia bij de hand had, deed ik maar eens een poging. Ik vond het een spannend verhaal. Een boek dat ik per se wilde uitlezen. En ik vermeed zorgvuldig alle wetenschappelijke en inhoudelijke uitleg die achterin het boek is opgenomen. Die gaat er namelijk vanuit dat je weet hoe het verhaal afloopt en dat wilde ik juist níet.

Het zou kunnen dat de tekst voor mij iets toegankelijker is dan voor de gemiddelde lezer omdat ik wat ervaring heb met middeleeuwse teksten en het hielp dat sommige moeilijke of verwarrende woorden onderaan de bladzijde worden vertaald of uitgelegd.

Om een indruk te geven, volgt hier een stuk van hoofdstuk xxv, waarin de dood van Beiaart wordt beschreven. Prachtig proza waarin de hechte band tussen het paard en de heemskinderen wordt beschreven. Voor het gemak heb ik bij enkele woorden tussen vierkante haken een vertaling geplaatst.

Als dat tractaet vander soenen [vrede] gesloten was tusschen coninc Karel ende Reinout met sijn broeders, quamen si vanden castele hant bi hant ende Beyert wert voer hen geleit tot voer den coninc ende deden een voetval voer den coninc seer oetmoedelic. Ende die coninck deedse opstaen ende ontfincse in gracien, daer menich edelman blide om was ende sonderlinge vrou Aye, hoer alre moeder. Dit gedaen wesende heeft Reynout Beyaert genomen ende heeftet den coninc ghegheven, seggende: ‘Heer coninc, doeter u gelieven mede.’

Als die coninc Beyert hadde, volquam hi sijn belofte, want hij dede hem twe molensteenen binden an den hals ende leiden op die brugge vander Oyse ende werpen in die riviere. Beyert sanck met die molenstenen so alst eerst in geworpen was, om die swaerheit vander steenen, mer terstont quamt boven ende began te swemmen. Mettien sach Reinout om ende sacht swemmen. Beyert versach Reinout ende doen verhieft sinen voet ende sloech soe crachtelick tegen de molenstenen dat si beide braken, ende swam te lande. Ende so drae alst te lande quam, liept na sinen here Reinout. Als Karel dat sach seide hi tot Reynout: ‘Reinout, geeft mi Beyert weder, of ic sal u doen vangen.’ Reinout dit horende van den coninc, gaf hy Beyert den coninc weder. Doe dede die coninck Beyaert binden an elcke voet een molensteen ende an den hals twe ende lietet so werpen in die riviere. Noch quam Beyert boven ende versach sinen meester ende brac die molenstenen ende liep tot sinen meester. Adelaert, dit siende, liep tot Beyert ende custet voer sinen muyl. Die coninc, die siende, verwonderdet seer die crachte van sulcken paert. Doe seide die coninc: ‘Reinout, ten si dat ghi my Beyert weder geeft, ic sal u doen vangen ende hanghen te Montefaucoen an die galghe.’ Doe seide Adelaert: ‘Vermaledijt moetstu zijn, Reynout, geefstu den coninc Beyert weder.’ Reinout seide weder: ‘Swijch broeder. Sal ic om een ors [paard] des conincs toerne [woede] hebben? Neen ic waerlic, broeder, also helpe mi God.’ Doe seide Adelaert: ‘O Beiaert, hoe valschen here hebdi gedient, met valschen loen wordi geloent.[je krijgt stank voor dank]’ Reinout heeft Beyert weder gevangen ende den coninc ghegeven, seggende: ‘Heer coninc, dat is die derde reise [keer] dat icken u gelevert heb ende ist dat u dit ors nu ontgaet, ic en vanges u niet weder want het gaet mijnre herten veel te na.’ Die coninc ontfinct ors ende seide: ‘Reinout, gi en moet niet omsien, want so lange als tors [het paard] u siet, so en soudet niet moghen verdrencken.’ Doe most Reinout voer de heren sweren dat hi niet omsien en soude na Beiert. Doe dede die coninc Beiaert an elcke voet binden twe groote molenstenen ende an den hals twee ende soe werpen in die riviere. Doe most dat ors te gronde sincken overmits die swaerheit der stenen. Een wijle dair na quamt weder boven ende stac thoeft om hoge, neyende [hinnikend] nae sinen here oft een mensche geweest hadde, de na sinen lieven vrient gescreit hadde. Als dit neyen Reynout hoerde ende niet om en dorste sien, ginc hem so na der herten dat hij in onmacht viel. Beyert neech sinen here metten hoefde, neyde seer na sinen here. Als Ridsaerd dit sach, hadde hi in sijn herte groot verdriet ende hem jammerdet seer, ende dye ander broeders hadden oeck groten rou mede om tors, dat si sinen here so getrouwe sagen. Ten lesten sanc dat ors in die gront ende verdranc.

Maar hoe zit het nu met die Van Aalsten? Het verhaal speelt zich in Frankrijk, Spanje en het Heilige Land af. Volgens de overlevering uit 1508 die ik net gelezen heb, ligt kasteel Montalbaen of Montauban in het zuiden van Frankrijk, en wordt Beiaart in de Oise (ten noorden van Parijs) verdronken. Aalst en Dendermonde komen er niet in voor. Verder zoekend naar gegevens over dit kasteel kwam ik echter ook in Belgisch Luxemburg uit, nota bene de streek waar ik deze blogpost schrijf. Irene Spijker noemt in haar boek allerlei voorbeelden van ‘buitentekstueel voortleven’ van de Heemskinderen, waaronder de vele voorbeelden van huisnamen, gevelstenen, standbeelden en andere kunstobjecten, zowel in de noordelijke als in de zuidelijke Nederlanden.

Het verhaal van de vier heemskinderen is een prachtig voorbeeld van hoe verhalen een eigen leven kunnen gaan leiden. Wil je een leuk voorbeeld van de Nederlandse overlevering, kijk dan eens naar de draai die Suske en Wiske eraan gegeven hebben in het Ros Bazhaar.

Historisch besef en sensatiemanagement

Toen ik geschiedenis studeerde heb ik voor het eerst kennis gemaakt met de zogenaamde historische sensatie; het gevoel dat je soms krijgt wanneer je in aanraking komt met oud materiaal. Alsof je ineens in contact staat met iemand die eeuwen geleden iets met datzelfde materiaal aan het doen was als waarmee jij nu in je handen staat.

Vreemd genoeg heeft het tot in de laatste jaren van mijn studie geduurd voor ik dat gevoel écht kreeg, althans, voor ik me realiseerde dat ik dat gevoel had. Sterker nog, ik kreeg het pas echt toen ik voor het eerst archiefonderzoek ging doen. Voor een werkcollege over de 15e en 16e eeuwse memorieboeken van de Leidse Gasthuizen bracht ik de nodige tijd door in de studiezaal van het toenmalige Gemeentearchief Leiden. In die memorieboeken waren de zogenaamde memories opgetekend. Je zou ze kunnen beschrijven als missen op bestelling. Ten behoeve van het eigen zieleheil, of dat van een dierbare, werden met geestelijke instellingen afspraken gemaakt over het periodiek opdragen van allerlei soorten heilige missen. Daarbij werd aangetekend in welke kerken en op welke altaren deze missen zouden moeten plaatsvinden, hoeveel priesters er aanwezig zouden moeten zijn, of er ook wijn moest worden uitgedeeld enzovoort.

Het was voor mij de eerste keer dat ik echt mocht werken met oude archiefstukken. Het waren perkamenten bladen, in een katern of band gebonden, met een perkamenten omslag. De mensen die een beetje van oud schrift afweten, zullen zich realiseren dat dit een prachtige ingang is voor een beginner. Hollandse teksten uit die periode zijn over het algemeen redelijk gemakkelijk leesbaar. Niet alle handen in ‘mijn’ bron waren even regelmatig, maar met de lessen paleografie die ik achter de rug had, ging het prima.

Nu ik erover zit te schrijven, krijg ik weer dat gevoel dat hoort bij mooi oud perkament. Zachte, soepele bladen, gevuld met regelmatige regels en geschreven in een tijd die al erg, érg lang achter me ligt. En dat is nu precies waar het me hier om gaat. Het is namelijk een raar gevoel. Een soort opwinding, alsof je een ontdekking gedaan hebt die je het liefst met de hele wereld zou willen delen. KIJK toch eens, wat ik hier heb! Een tekst over een vrouw die haar hele hebben en houden aan de kerk opdraagt en daarvoor als tegenprestatie de toezegging krijgt dat diezelfde kerk tot in de eeuwigheid elke zoveelste zondag na feestdag zus en zo een mis opdraagt voor het zieleheil van haar overleden man. Met de kennis van alles wat er de laatste vijfhonderd jaar gebeurd is (met de Reformatie voor dit specifieke geval als meest wrange gebeurtenis), en het inlevingsvermogen van iemand met een rijke fantasie, komt er dan ineens heel veel tot leven.

Ik moet altijd denken aan de vingers van E.T. en zijn vriendje Elliott, die elkaar vanuit twee verschillende werelden aanraakten. Maar waar komt dat gevoel vandaag? Of anders, waarom word ik er zo blij van? Ik heb werkelijk geen idee.

Wat ik me wel realiseer is dat het hebben van een historische sensatie pas mogelijk wordt, als je enig historisch besef hebt. Leef je alleen bij de dag van vandaag en die van morgen (een veel gehoorde kreet is: ik kijk liever vooruit dan achterom) en realiseer je je niet dat de dag van vandaag gevormd is door die van gisteren en vorige week, dan is de kans klein dat je door zoiets overvallen wordt. Er is ook wel enige kennis vereist om van een oud ding, een historisch stuk met een verhaal te maken.  Kijk maar naar dit zwaard. Het simpele, enigszins kinderlijke model suggereert niet dat het een echt zwaard is en al helemaal niet dat Johan van Oldenbarnevelt in 1619 ermee werd onthoofd. Wie was Van Oldenbarnevelt dan? En is het belangrijk om dat te weten?

Ik heb gemerkt dat het werken met oude archiefstukken mijn eigen relativeringsvermogen enorm heeft vergroot. Als je iets leert van oude stukken, is het wel dat er in de wereld eigenlijk heel erg weinig verandert. De mensen doen en laten nog steeds in grote lijnen wat ze duizend jaar geleden ook deden en lieten. OK, er is wel het een en ander veranderd, en ik heb het dus even niet over de technologische vooruitgang of de enorm toegenomen welvaart, het gaat om hoe mensen zich gedragen.

Daarom denk ik dat het belangrijk is dat we blijven werken aan het aankweken van historisch besef bij een zo groot mogelijk deel van de bevolking. Door educatieve programma’s, die niet alleen gericht zijn op jongeren, maar op iedereen. Ambitieus? Nee hoor, gewoon hard nodig! Er zouden meer mensen moeten leren om de waan van de dag te relativeren. Geweld op straat? Nabuurschap of burenruzies? De jeugd van tegenwoordig? Ik zou zeggen, leer oud schrift lezen en verbaas je over hoe de tijden niet veranderd zijn. En mocht dat teveel gedoe zijn, pak er eens een oude krant van honderd jaar geleden bij (die is gewoon gedrukt ;-))

Wel leuk om te ontdekken dat er meer mensen met dit thema bezig zijn geweest. De een wetenschappelijk, de ander meer populair. Twee aanraders zijn: